![]() |
![]() |
|
![]() |
Gustav Holst (1874-1934) is een Engelse componist van Zweedse afkomst. Hij heette eigenlijk ‘von Holst’, maar tijdens de Eerste Wereldoorlog liet hij het woordje ‘von’ voor zijn naam vallen, opdat iedereen zou weten dat hij Engelsman was. In 1893 begon hij zijn studies aan het Royal College of Music te Londen. Tijdens zijn studiejaren kwam hij onder invloed van de muziek van Johann Sebastian Bach en Richard Wagner en eveneens van de Engelse volksliederen. Omstreeks de eeuwwisseling was Engelse volksmuziek erg populair; hij deed aan deze mode mee, met briljante resultaten. In 1905 werd hij leraar aan de St. Paul’s Girls School te Hammersmith; hiervoor schreef hij zijn ‘St. Paul’s Suite’ voor strijkers. Hij bleef er tot zijn dood. in 1907 werd hij muziekdirecteur aan het Morley College. Van 1919 tot 1924 onderwees hij compositie aan het Royal College of Music. Van 1919 tot 1923 doceerde hij ook aan de Reading University. |
In verschillende instituten onderscheidde hij zich als leraar, een beroep dat hij tot zijn dood uitoefende. In twee bekende Londense scholen, namelijk het Morley College en het Royal College of Music, en later in de USA, werd hij door verscheidene generaties van leerlingen op handen gedragen. hij was een zeer bescheiden en innemend man met een fijn gevoel voor humor; alleen met slordigheid en verwaandheid kon hij niet om. Enkele werken van Gustav Holst
SPRING -
SUMMER
Tussen 1906 en 1911 toonde Holst een zeer grote belangstelling voor oosterse filosofie en poëzie. Hij werd aangetrokken tot de Oudindische ‘Rig Veda’, die de inhoud of achtergrond vormde van verscheidene composities. Zijn kennis van het Sanskriet brachten hem tot het componeren op oude Hindoe-teksten in eigen vertaling. De eerste resultaten daarvan waren de ‘Choral Hymns from the Rig Veda’, die hij in 1910 componeerde en in 1911 publiceerde. Ze zijn door hemzelf vertaald uit het Sanskriet. Dirigent Justin Doyle, die de BBC Singers dirigeert in de ‘Choral Hymns from the Rig Veda’: ‘In dit werk is er een zeer grote aaneenschakeling van bewogenheden, bewegingen en kleuren; structuren veranderen van zeer rijk tot zeer schaars. Het is ontzettend boeiend om te zien wat hieruit te halen valt’. 'Veda' komt van ‘vid’ ‘weten’ en stamt uit het Sanskriet. Het is de naam voor de heilige boeken van de hindoes. De Veda’s zijn rituele hymnen en filosofische beschouwingen; het oudste deel van de Veda, de Samhita’s, zijn verzamelingen van gewijde teksten, lofzangen en rituele spreuken en formules. Dit deel omvat onder andere de Rgvedasamhita. 'Rig Veda' betekent ‘de Veda der Strofen’, en wordt ook ‘Rgveda’ geschreven. Het bevat 1 028 hymnen, met in totaal 10 462 strofen. Het zijn lofliederen aan de goden, aanroepingsgezangen en toespelingen op hun mythische daden. De Rig Veda is ontstaan in het bovenstroomgebied van de Indus (Punjab), en wordt door sommigen gesitueerd tussen 1200 en 1000 v.C., door anderen tussen 2000 en 600 v.C. HYMN TO THE WATERS In deze hymne worden de wateren bezongen die door Indra worden gedirigeerd. De vloeiende lijn van de éénstemmige verzen symboliseert de eeuwige beweging van het water. 'Indra', ook 'Indhor', betekent 'beheersen van regendruppels', en komt van het Sanskriet 'indu (druppel) en 'ra' ‘beheersen’. Hij is de Indische god van het weer en de oorlog in het hindoeïsme aan wie 250 hymnen van de Rig Veda gewijd zijn. Hij is de bevrijder van de rivieren, de donder- en regengod die water geeft na droge tijden. In de Rig Veda staat: "Hij die het opperste toezicht heeft over de paarden, alle (strijd)wagens, de dorpen, en het vee; Hij die de zon en de morgen het leven schenkt en de wateren leidt; Hij, o mensen, is Indra. Indra, jij verheft de verschoppeling die onderdrukt wordt, jij verheerlijkt de blinde en de kreupele." Een verhaaltje: Vritra, een god van de onderwereld, stal al het water van de wereld; Indra trok door de 99 vestingen van Vritra, versloeg het monster en bracht het water terug naar de aarde. 'Varuna' betekent letterlijk ‘hij die iets verhult’. Gedurende de voor-vedische tijd is hij de almachtige oppergod en de bewaarder van de wetten en de orde. Hij is alziend en alwetend; in de vedische godsdienst is hij de god van de hemel, de rivieren, de zee, de regen en de hemelse oceaan (Rasa). Hij is ook de god van de wet en de onderwereld: hij heerst over de doden en kan aan stervelingen onsterfelijkheid schenken. Hij is degene die ervoor zorgt dat de zon zich blijft voortbewegen, maar ook wordt hij gezien als de maangod. HYMN TO VENA Dit is een ode aan de zon: de intimiteit van de aanvangsnoten bloeit langzaam open en bereikt een climax op het moment dat de zon in haar stralende pracht hoog aan de hemel staat. Het woord 'Vena' wordt verklaard als zijnde afgeleid van 'ven', wat betekent 'verlangen naar'. In India is er een verklaring dat Vena een vroege vedische naam is voor de planeet Venus. De planeet Venus wordt door de Grieken 'Aphrodite' genoemd en ook 'Eosphoros' (Phosphorus) of de ‘brenger van licht’ als ze bij haar beweging aan de hemel als morgenster verschijnt, en ‘Hesperos’, als ze verschijnt als avondster. Hij wordt, zoals Aphrodite, geassocieerd met de wateren of met de zee (bedoeld de zee van de hemel), waaruit hij geboren werd. Aphrodite is de waternimf die oprijst uit het schuim van de zee van de hemel zoals de nimfen die verlangen naar Vena. Vena rijst op als een druppel (drapsa) uit die oceaan. Zijn naam is onder andere terug te vinden in de Rig Veda (boek 10, hymne 123), in een hymne opgedragen aan Vena die beschreven wordt als geboren uit de zon; de hymne noemt Vena duidelijk de 'zoon van de zon.' De Rig Veda beschrijft in die hymne aan Vena twee aspecten van Venus: ten eerste, als de Gandharva (godheid) die de beschermheer is van de zang en de kunsten; ten tweede als de zoon van de zon. Hij kent het geheim van de onsterfelijkheid; dit heeft vermoedelijk betrekking op het feit dat Venus opnieuw te voorschijn komt na verduisterd te zijn geweest door de zon. Het woord hymne komt van het Griekse 'humnos' (lied, zang, lofzang). In de Grieks-klassieke traditie was het een gedicht ter ere van de goden. In de christelijke kerk werd de naam 'hymne' overgenomen naast de bestaande Hebreeuwse psalmen en diende tot verheerlijking van God. Daartoe werden in de 2e en 3e eeuw de oude Griekse tempelzangen van christelijke teksten voorzien. De hymnen raakten enigzins in diskrediet, doordat ketterse groeperingen ze gebruikten voor massabeïnvloeding; oosterse kettersekten gebruikten ze om hun 'dwalingen' onder het volk te verspreiden. Het kwam in 364 op het Concilie van Laodicea (West-Azië) zelfs tot een officieel verbod; dat was echter van korte duur: de oude praktijk keerde terug en het lied bleef bestaan in het Oosten en in het Westen. In het Westen was bisschop Ambrosius van Milaan (ca. 339-397) een belangrijk hymnedichter; hij maakte de hymne tot een echt volkslied met een diepe vroomheid en authentieke geloofsexpressie. Naar zijn naam wordt het 'Te Deum' als ambrosiaanse lofzang genoemd. lange tijd werden de hymnen in het Latijn geschreven, zeker wanneer zij in de liturgie werden gebruikt, maar in de late middeleeuwen paste men ook de landstaal toe. Deze hymnen werden vooral gebruikt tijdens de volksspelen, die naast de officiële kerkelijke eredienst ontstonden. In de latere muziek verstaat men onder ‘hymne’ een plechtig vocaal werk in grootse stijl, waarvan zowel de wereldlijke als de geestelijke tekst gedachten van verheerlijking of verering uitdrukt. |
|
| Geen frames zichtbaar? Klik hier voor de volledige versie. | |